Titel

Lezing voor Naderend Vuur over geestverschijningen

Geplaatst door

Titus Rivas   (publicatiedatum: 2 May, 2011)

Samenvatting

Lezing van drs. Titus Rivas over geestverschijningen voor Naderend Vuur van Sander van Ankeren.


Tekst


Lezing voor Naderend Vuur over Verschijningen: Waan en Werkelijkheid

Goedenavond, dames en heren!
Ik ben dus Titus Rivas van Stichting Athanasia uit Nijmegen, een stichting voor parapsychologisch en filosofisch onderzoek naar een leven na de dood en de evolutie van de persoonlijke ziel. Ik word vanavond zoals u ziet vergezeld door mijn hondje Takkie.
Het is mijn bedoeling vanavond kort stil te staan bij het vraagstuk van de geestverschijningen. Dat doe ik in de vorm van een traditionele lezing. Tijdens en na de pauze is er de gelegenheid om vragen te stellen over dit onderwerp en aanverwante gebieden. Ook stel ik het op prijs als mensen mij hun persoonlijke ervaringen willen vertellen. Dat kan zo dadelijk al maar ook later pas. Ik zal straks een folder van Athanasia laten rondgaan met onze contactgegevens.

In mijn dagelijks leven ben ik meermalen omgegaan met psychiatrische patiënten. Ik heb zelf onder meer psychologie gestudeerd en akelig genoeg werd een van mijn medestudenten in zijn eerste studiejaar psychotisch. Via hem ben ik in aanraking gekomen met andere mensen uit het psychiatrische circuit. Sommigen van hen waren er rotsvast van overtuigd dat ze een religieuze missie hadden. Ze geloofden dat ze een bovennatuurlijk wezen hadden gezien, zoals een engel of zelfs Jezus Christus. Dat wezen had hun verteld dat ze uitverkoren waren om mensen bij te staan op hun levenspad of om bijvoorbeeld grote uitvindingen te doen die de hele mensheid op weg zouden helpen naar een volgend spiritueel niveau. Helaas heb ik zelf niets spiritueels in hun boodschappen kunnen ontdekken. Het ging daarentegen steeds weer om zeer egocentrische verhalen waarin zijzelf de hoofdrol speelden. Bovendien klonken hun eigen voorkeuren en vooroordelen steeds weer door in hun openbaringen.

Na verloop van tijd raakten deze patienten telkens weer in een crisis verzeild waarbij ze zichzelf volkomen verwaarloosden en in een bizarre innerlijke wereld van angsten, hallucinaties en waangedachten belandden. Deze chaos bleek tegelijk redelijk eenvoudig te onderdrukken door middel van medicijnen. En na afloop zagen ze doorgaans zelf ook in dat ze psychotisch waren geweest.

Mensen die de moderne westerse wetenschap doorgaans ziet als psychiatrische patiënten worden bij natuurvolkeren nog wel eens beschouwd als een soort heilige mannen of vrouwen die fungeren als brug naar de geestenwereld. Zij kunnen in sommige gevallen namelijk communiceren met totemgeesten, natuurwezens of voorouders. Doorgaans raken ze daarbij in een veranderde bewustzijnstoestand of trance, soms ook met behulp van geestverruimende middelen.

In de Oudheid konden gelovigen visioenen krijgen van Goden en Godinnen die hun allerlei individuele boodschappen doorgaven.

Nog dichter bij ons westerse samenleving staan wat dit betreft de profeten uit de Bijbel en de Koran die direct zouden hebben gecommuniceerd met de wereld van God en zijn engelen. De profeet Mohamed zou daarbij van de engel Gabriel oftewel Djibriel het heilige boek van de islam door hebben gekregen, terwijl God Mozes in een persoonlijk onderhoud de Tien Geboden zou hebben geschonken op de berg Sinai. Volgens rooms-katholieken zou Maria, de moeder van Jezus, al ettelijke alen verschenen zijn aan stervelingen die ze vooral de opdracht zou hebben gegeven om te bidden en boete te doen als tegenwicht voor een zondige wereld. Ook nieuwe kerkbewegingen of sektes ontstaan vaak door een visioen waarin een engel of God zelf verschijnt aan een profeet.

Hedendaagse channel mediums beweren zo ook al tientallen jaren dat ze rechtstreeks contact kunnen leggen met hogere geesten. De inhoud van het bekende boek A Course in Miracles zou bijvoorbeeld direct van Jezus Christus stammen. Zelfs het controversiele medium Jomanda zegt van zichzelf dat ze in verbinding staat met een hogere geestelijke werkelijkheid.

Het fenomeen van communicatie met hogere wezens waarbij die hogere wezens ook verschijnen aan stervelingen is in zekere zin een universeel menselijk gegeven. Het wordt beschreven in allerlei heilige boeken en dient daarbij ook om de leer van die boeken kracht bij te zetten.

Wat is hier nu aan de hand? Zijn al deze mensen 'gewoon' psychisch gestoord en horen ze in feite een psychiatrische behandeling te krijgen? Voor mij staat in elk geval vast dat een deel van de mensen die verschijningen van hogere wezens waarnemen hallucineert. Dat is wat mij betreft geen kwestie van skepsis, maar van persoonlijke ervaring met psychiatrische patienten.

In het geval van mijn psychiatrische medestudent erkende zelfs de voorganger van de Pinkstergemeente waar hij bijhoorde dat de jongen niet 'helemaal lekker in zijn bovenkamer was'. Leden van Pinksterkerken staan nu niet direct bekend om hun overmatige skepsis. Het zegt dus heel wat als ook zij toegeven dat iemands religieuze visioenen niet echt op contact met een hogere wereld kunnen berusten.

Verder ben ik zelf opgegroeid in een rooms-katholiek milieu met veel aandacht voor Maria-verschijningen. Ik heb met die achtergrond later ook een literatuuronderzoek verricht voor het Tijdschrift voor Parapsychologie naar de Maria-verschijningen te Fatima. Drie herderkinderen zouden daarbij in 1917 steeds weer contact hebben gehad met de Heilige Maagd. Maria gaf hun geheimen door die onder andere verband hielden met de toekomst van de mensheid. Uit een analyse van die voorspellingen bleek echter dat ze niets paranormaals bevatten, maar duidelijk aansloot bij het toenmalige katholieke geestelijke klimaat, waarin vooral een afkeer voor de ongelovige communisten overheerste. Het is voor mij dan ook echt duidelijk dat niet alle verschijningen die mensen waarnemen neerkomen op een reeel contact met geestelijke wezens. Een deel ervan komt hoe dan ook voort uit de geest van de zieners zelf.

Dit wordt ook nog eens bevestigd door schijnbaar goddelijke verschijningen die oproepen tot haat en intolerantie tegen andersdenkenden. Tenzij men deze wil toeschrijven aan lagere geestelijke entiteiten lijkt het evident dat ze voortkomen uit de bekrompenheid van de persoon zelf. Wat dit betreft werd ik jaren geleden getroffen door een Amerikaanse TV-serie waarin een racistische generaal oprecht meent gezegend te zijn door verschijningen van het Opperwezen. Daarbij geeft God hem de opdracht genadeloos een heel indianendorp uit te moorden, inclusief alle vrouwen en kinderen.

Hiermee is trouwens niet gezegd dat alle geestverschijningen van hogere geestelijke wezens voortkomen uit ernstige psychiatrische stoornissen zoals schizofrenie. Een deel ervan lijkt goed geintegreerd te zijn in de persoonlijkheid van de ziener, zelfs in die mate dat zowel de persoon zelf als zijn omgeving geestelijk baat hebben bij de boodschap van de verschijning.
In zulke gevallen zou er bijvoorbeeld sprake kunnen zijn van een proces van dissociatie. Onder dit verschijnsel dissociatie verstaan we in het algemeen een splitsing van de persoonlijkheid waarbij sommige delen van iemands geest los lijken te staan van de rest ervan. Er kan daarbij sprake zijn van een zogeheten secondaire persoonlijkheid of subpersoonlijkheid die ook lijkt te communiceren met de normale persoonlijkheid. Spontane dissociatie wordt doorgaans opgevat als een psychologisch verdedigings- of defensiemechanisme. Iemand kan bepaalde innerlijke conflicten of een traumatische omgeving geestelijk niet goed aan en creeert onbewust een afgesplitste persoonlijkheid die er op gericht is het probleem buiten het normale dagbewustzijn te houden of alsnog manieren te vinden om er mee om te gaan. In zekere zin is dissociatie dus een positief proces omdat het iemands totale geestelijke instorting voorkomt.
Dissociatie kan ook doelbewust worden ingezet voor spirituele en creatieve doeleinden. Men probeert hierbij opzettelijk in een trance te raken zodat normaal onbewuste delen van de persoonlijkheid een kans krijgen om zich te manifesteren. Dit werd bijvoorbeeld gedaan door de literaire en artistieke stroming van de surrealisten. Zij maakten onder meer gebruik van automatisch schrijven. Daarbij nam hun onbewuste geest het creatieve proces over van hun normale dagbewustzijn. Ook onder hypnose kan bijvoorbeeld een ongevaarlijke vorm van dissociatie ontstaan die onderdeel uit kan maken van het therapeutische proces.

Bij geestverschijningen die voortkomen uit dissociatie moeten we denken aan een grote emotionele behoefte aan contact met geesten of aan een spirituele boodschap. Juist bij sterk religieus of spiritueel ingestelde mensen zou je dit soort verschijningen dus het eerst verwachten. Naarmate iemand een wereldbeeld aanhangt waarin visioenen van verschijningen van geestelijke wezens normaler zijn, wordt de kans op zulke visioenen ook groter. Overigens erkent zelfs de Katholieke Kerk dat er hoe dan ook veel Maria-verschijningen zijn die berusten op onbewuste dissociatie bij de zieners.

Nu zien mensen niet alleen verschijningen van hogere geestelijke wezens, maar ook van gewone overledenen. Juist met deze categorie verschijningen houdt de parapsychologie zich op de eerste plaats bezig. Sommige mensen vinden dat vreemd omdat juist channeling ons spirituele inzichten zou kunnen verschaffen. Maar het heeft alles te maken met de mate waarin de informatie die bij een verschijning komt kijken geidentificeerd kan worden als paranormaal. Daar bedoelen we mee dat de informatie die de ziener bereikt niet op een normale manier verzameld kan zijn door die persoon. Hogere spirituele wezens komen zelden of nooit met paranormale informatie aanzetten die we als stervelingen kunnen natrekken op deze aarde, bijvoorbeeld in archieven. Dit is waarschijnlijk de belangrijkste reden waarom channeling bijna geen rol speelt als onderwerp van parapsychologisch onderzoek.

Overigens bestaan er ook visioenen van verschijningen waarbij geen paranormale informatie komt kijken, maar wel paranormale fysieke verschijnselen. Zo zag Franciscus van Assisi bijvoorbeeld een verschijning van een gekruisigde engel van wie hij de 'wondtekenen' oftewel stigmata van Christus zou ontvangen. Veel zogeheten stigmatici vertoonden zulke wondtekenen die niet normaal verklaard kunnen worden door bijvoorbeeld krabben of andere vormen van zelfverwonding. Ook kunnen waarnemingen van verschijningen gepaard gaan met poltergeistachtige fenomenen zoals de onverklaarbare verschuiving van meubels of stenenregens.

In principe is het mogelijk om dergelijke verschijningen te verklaren als voortbrengselen van een proces van dissociatie gekoppeld aan de onbewuste werking van de psychokinetische vermogens van de ziener zelf.

De parapsychologie is zeker geinteresseerd in dergelijke gevallen vanwege de fysieke fenomenen. Maar als we ons bezighouden met de herkomst van verschijningen zijn gevallen met paranormale informatie nog belangwekkender.

Ik heb zelf een aantal gevallen onderzocht van spontane waarnemingen van verschijningen. Steeds stond daarbij de vraag voorop of de persoon in kwestie door de verschijning dingen te weten kwam die hij daarvoor nog niet wist.

Een voorbeeld daarvan is het geval van de 13-jarige Maya. De ervaringen van deze tiener begonnen met een stem die tegen haar leek te praten. Ze besteedde daar aanvankelijk weinig aandacht aan, maar eind 1986 kreeg ze voor het eerst een verschijning van een jong, blond meisje met blauwe ogen van een jaar of tien. Ze droeg een wit katoenen jurkje en liep op blote voeten. Het meisje zag eruit als een gewoon mens, maar kon niet worden aangeraakt. Maya sprak geregeld met het kind, ook waar haar moeder en oma bij waren. Deze zagen zelf overigens niets en vroegen zich af tegen wie Maya sprak.
De verschijning noemde haar naam niet, maar gaf Maya in plaats daarvan een soort puzzel op. Ze moest uit letters die het meisje haar gaf de voor- en achternaam van de geest zien samen te stellen. Maya slaagde hier eerst niet in, maar toen ze 'Temmigje Rijkse' had gevormd bevestigde de verschijning dat dit haar naam was. Namen van mensen die Temmigje tijdens haar leven gekend zou hebben, kreeg Maya rechtstreeks van de geest te horen. Temmigje vertelde Maya na verloop van tijd ook dat ze begin 19e eeuw op het Utrechtse bolwerk 'de Manenburg' gewoond zou hebben en beschreef haar leefwijze en haar vroegtijdige dood door verdrinking op zeer jonge leeftijd. Uiteindelijk ging Maya naar het Gemeentearchief van Utrecht en ze beweerde tegenover mij dat ze eerin slaagde om de uitspraken van Temmigje te verifiëren in aanwezige boeken over de Manenburg.
Na een tijdje, bleek het contact met Temmigje ongunstig te ontwikkelen voor Maya. Ze domineerde haar en gaf haar opdrachten die ingingen tegen Maya's belangen. Het leek wel alsof ze een soort kwelgeest was. Maya ging zich vreemd gedragen op school en haar punten kelderden naar beneden. Ook had ze een keer het gevoel dat ze door Temmigje op de grond werd geworpen bij spoorwegovergang, met de bedoeling dat ze overreden zou worden door een trein. Bij een andere gelegenheid had ze het gevoel dat Temmigje haar krabde waarna er een onverklaarbare wond op haar huid verscheen.
Ik heb zelf het Utrechtse Gemeentearchief bezocht om erachter te komen of de gegevens die Temmigje zou hebben verstrekt gemakkelijk door Maya zelf opgezocht zouden kunnen zijn of niet. Dit bleek inderdaad veel gemakkelijker dan je op het eerste gezicht zou denken. Ik kwam er bovendien ik erachter dat sommige van de gegevens die Temmigje zou hebben geleverd niet overeenkwamen met de gegevens in het archief. De voornaam van een van de bewoners van de Manenburg aan het begin van de 19e eeuw luidde Femmigje Rijkse en een Temmigje kwam niet voor in het archief. Nu had Maya het tegenover mij gehad over een oud boek waarin alle namen die Temmigje zou hebben genoemd stonden opgetekend en dat haar werd getoond door een archivaris. In het enige boek in het Gemeentearchief dat overeenkwam met een dergelijke beschrijving bleek de naam slordig te zijn genoteerd: het streepje dat de handgeschreven F van de T onderscheidt, bleek te zijn verdwenen. Dergelijke details overtuigden mij ervan dat Maya de namen niet van tevoren van Temmigje had gekregen, maar pas in het archief zelf (voor een deel onnauwkeurig) had verzameld.
Temmigje werd uiteindelijk verjaagd uit Maya's leven door middel van een Hindoestaans exorcistisch ritueel uitgevoerd door Pandit Ramsoedit. Psychologisch gezien kan dit geval dus net als menige verschijning van een hoger geestelijk wezen, worden opgevat als een vorm van dissociatie
Een ander voorbeeld betrof een man van middelbare leeftijd die we hier H. zullen noemen. H. beweerde vaak bezocht te worden door de geest van zijn overleden tweelingbroer uit een vorig leven. De geest maakte zich bekend als Toni M. en hij zou betrokken zijn geweest bij de tragische slag bij Arnhem tijdens de Tweede Wereldoorlog. H. zou naar aanleiding van de aanwijzingen van Toni het park Hartenstein in Oosterbeek hebben bezocht. Toni zou H. daarbij de plek hebben laten zien waar hij was gesneuveld.


Enige tijd later bezocht ik samen met H. het park Hartenstein, maar tot zijn grote verwarring slaagde H. er dit keer niet in om de plek aan te wijzen waar Toni zou zijn omgekomen. Bovendien vonden we in het archief over gesneuvelden de slag niets terug over Toni M. Er was wel een achternaamgenoot te vinden, maar die kwam verder totaal niet overeen met de persoonsbeschrijving van Toni.
Ook de rest van het verhaal dat Toni H. had verteld bleek niet in overeenstemming met historische gegevens.
Daarom moest mijn conclusie wel zijn dat Toni in feite niet bestond, maar voortkwam uit het onbewuste van H. Het kostte H. erg veel moeite om deze uitkomst te aanvaarden en ik weet niet eens of hij daar uiteindelijk ook echt in geslaagd is.

Na het voorgaande zou je gemakkelijk kunnen gaan denken dat verschijningen altijd uitsluitend berusten op hallucinaties of wanen die voortkomen uit het onbewuste geestesleven van de persoon zelf. Dat is dan ook precies wat zogeheten 'rationalisten' al eeuwenlang beweren. Kinderen krijgen dan ook al eeuwen te horen dat ze niet bang hoeven te zijn voor spoken, omdat die gewoon helemaal niet bestaan. Verschijningen zouden niet meer zijn dan verkeerd begrepen dissociatieve verschijnselen of hallucinaties die voortkomen uit een slecht functionerend brein onder invloed van een hersenziekte zoals schizofrenie. De bekende Britse skeptische parapsycholoog Richard Wiseman probeert verder ook nog alle verschijningen in zogeheten spookhuizen (haunted houses) weg te verklaren door normale psychologische processen.

Toch lenen lang niet alle verschijningen of visioenen van geesten zich voor zo'n skeptische verklaring. Er zijn ook verschijningen bekend waarbij degenen die ze waarnamen paranormale informatie kregen die ze daarvoor niet op een normale manier tot zich hadden genomen.

Zo zijn er zogeheten crisisverschijningen die voorkomen tijdens of na een crisis van een geliefde. Het gaat om gevallen waarbij men een verschijning ziet van iemand die op dat moment in moeilijkheden verkeert terwijl men van tevoren niet kon weten.

Bovendien zien mensen op hun sterfbed soms de verschijning van iemand van wie ze nog niet konden weten dat die kortgeleden overleden was. Het bekendste geval is dat van twee Engelse zusters uit de jaren twintig, Doris en Vida. Doris zag op haar sterfbed hoe haar vader haar opwachtte om haar mee te nemen naar de andere wereld. Tot haar verbazing had hij haar zuster Vida bij zich. Vida was twee weken tevoren overleden zonder dat dit aan Doris verteld was, zodat deze dacht dat ze nog in leven was.

Ook mensen die waken bij iemands sterfbed kunnen visioenen krijgen van overledenen die de stervende komen ophalen. In sommige gevallen zien ze daarbij iemand die ze zelf nog niet kenden. Een bekend voorbeeld draait om Margaret Moser, een verpleegster uit Long Island die in 1949 de verschijning zag van de zus van haar patiente. In haar eigen woorden luidt haar ervaring:

'In de winter van 1948-1949 verpleegde ik een heel erg zieke oude dame, Mrs. Rose B. Ze was erg intelligent, had een goede opleiding gehad en was zeer cultureel ingesteld' en ze woonde al vele jaren in New York City. Op dat moment verbleef ze in het Savoy Hotel op Fifth Avenue en tot op het allerlaatste moment bleef ze geestelijk actief. Op een middag had ik mijn patiënt vroeg naar bed gebracht voor een middagdutje en ik zat aan het tafeltje naast het raam haar kaart bij te werken. Ik zat met mijn gezicht naar het bed, de deur was achter me. Mrs. B. lag te slapen, maar plotseling zag ik haar rechtop zitten en wuiven. Ze zag er gelukkig uit, haar gezicht één en al glimlach. Ik keek naar de deur omdat ik dacht dat één van haar dochters was binnengekomen; maar tot mijn grote verbazing zag ik een oude dame die ik nog nooit eerder had gezien. Ze leek sprekend op mijn patiënte 'diezelfde lichtblauwe ogen, maar een langere neus en een zwaardere kin. Ik zag haar heel duidelijk, want het was klaarlichte dag; de luiken waren maar een heel klein beetje dicht. De bezoekster liep naar mijn patiënte toe, bukte zich en toen gaven ze elkaar, voor zover ik het me kan herinneren, een kus. Maar toen ik opstond en naar het bed liep, was ze weg.
Mrs. B. zag er erg gelukkig uit. Ze pakte mijn hand vast en zei: 'Dat was mijn zuster.' Toen viel ze weer vredig in slaap. Later zag ik dezelfde verschijning nog twee keer, maar niet meer zo duidelijk en vanuit een andere kamer. Maar iedere keer als ze kwam, was mijn patiënte altijd opgetogen.'
Een paar weken later stierf Mrs. B. Margaret Moser zag op haar begrafenis een man die sprekend leek op de verschijning die ze had gezien. Ze vroeg aan één van Mrs. B.'s dochters wie dat was. Het bleek de zoon van de overleden zus van Mrs. B.

Ook buiten de context van sterfbedvisioenen zijn er gevallen bekend van verschijningen die tevoren onbekend waren aan degenen die ze waarnemen.
Tenhaeff vermeldt bijvoorbeeld een geval van een vrouw die in een pension in Cheltenham logeerde en daarbij een keer schijnbaar zonder reden wakker werd. Ze zag de verschijning van een oude heer met een rond, blozend gezicht die aan het voeteneinde van haar bed stond. De man was gekleed in een ouderwetse blauwe jas met gele koperen knopen, een licht gekleurd vest en een wijde broek. Ze was er zich trouwens van bewust dat de man niet écht aanwezig was. Na een tijdje sloot zij haar ogen en toen ze die weer open deed, was de verschijning verdwenen. Ze stelde een onderzoek in naar de man en daaruit bleek dat ze een verschijning had gezien van iemand die het huis vroeger bewoond had en al lang geleden overleden was.

Soms worden verschijningen van overledenen door meerdere personen tegelijk gezien.
Twee dames, S. Moore en E. Quilty, logeerden bijvoorbeeld op een boerderij en sliepen daarbij in een ouderwetse bedstee. Een van hen, S. Moore, schrijft '(') We lagen ongeveer een half uur in bed, toen ik naar de deur van de kast keek. Ik zag een kleine oude vrouw met een blozend gezicht met een geplooide witte muts op haar hoofd, een witte zakdoek om haar hals en een witte jurk aan. Zij zat met haar handen in haar schoot. Het leek alsof het geheel een schilderij op de deur was, maar het was net of het leefde. Ik was erg geschrokken en zei tegen Quilty: 'Zag jij iets?' En haar antwoord was hetzelfde: 'Zag jij iets?' Ik vertelde wat ik gezien had en Quilty had precies hetzelfde gezien als ik. Onze nachtrust was helemaal verstoord. Toen wij de volgende morgen ons verhaal vertelden, bleek de verschijning precies te lijken op de moeder van de boer. Zij had daar voor hem gewoond en was in 'onze' slaapkamer gestorven.'

Een geval dat steeds weer terugkeert in de parapsychologische literatuur over onderzoekingen naar leven na de dood is dat van de verschijning van de Amerikaan James L. Chaffin. Op 16 november 1905 maakt hij een testament waarin hij zijn boerderij naliet aan zijn derde zoon Marshall Chaffin, die daarbij ook werd benoemd tot executeur testamentair. Zijn vrouw en zijn drie overige zoons werden echter volkomen onterfd op grond van dit testament. Enkele jaren later kreeg Chaffin hier spijt van en stelde een nieuw testament op, waarbij hij zijn bezittingen gelijk verdeelde over zijn vier zoons. Naderhand borg hij in het op in de oude familiebijbel van zijn vader. Hij vouwde de bladzijden waarop het 27ste hoofdstuk van Genesis stond afgedrukt zo dat er een soort zakje ontstond, waarin het testament schoof. Hij naaide vervolgens in een van de binnenzakken van zijn overjas een reepje vast waarop hij de woorden 'Lees het 27ste hoofdstuk van Genesis in mijn vaders oude bijbel' had geschreven. Voor zover men dit na heeft kunnen gaan, had de man tijdens zijn leven nooit iemand iets van het bestaan van dit tweede testament medegedeeld.
Op 27 september 1921 kwam James L. Chaffin ten gevolge van een ongeluk volkomen onverwacht te overlijden. Krachtens het op 16 november 1905 opgemaakte testament werd de derde zoon, Marshall, universeel erfgenaam van de bezittingen van zijn vader. Noch zijn weduwe, noch zijn overige drie zoons betwistten de juistheid van het testament, omdat het volgens iedereen volkomen rechtsgeldig was. In juni 1925 ontwaakte de tweede zoon, James P.C. Chaffin, met de herinnering aan een zeer levendige droom, waarin hij zijn vader aan zich had zien verschijnen. Niet lang daarna verscheen zijn vader hem opnieuw. 'Hij was gekleed zoals James hem vaak tijdens zijn leven had gezien. Ook droeg hij een zwarte overjas, die James herkende. Deze keer sprak de geest tot James. Hij greep zijn overjas vast, trok de jas wat naar achter en zei: 'Je zult mijn testament in de zak van mijn overjas vinden.' Vervolgens verdween hij.
De volgende ochtend begaf James zich naar zijn moeder, in de vaste overtuiging 'dat de geest van zijn vader bij hem was gekomen om een vergissing te herstellen.' Hij zocht naar de overjas, maar deze bleek nergens te vinden te zijn. Zijn moeder vertelde hem toen, dat de jas zich in het bezit van zijn oudste broer John bevond. Op 6 juli begaf James zich daarop naar zijn broer John. Deze bleek nog in het bezit van de overjas te zijn. Na enige tijd werd het briefje met de verwijzing naar de familiebijbel gevonden.
James vond de bijbel na lang zoeken in het bijzijn van zijn buurman, zijn eigen dochter en de dochter van zijn buurman.

Er is de laatste steeds meer aandacht voor reincarnatieherinneringen aan vorige levens bij jou kinderen. Overal ter wereld komen kinderen voor met spontane paranormale herinneringen aan een vorig leven. De bekendste westerling die hier onderzoek naar heeft gedaan is Ian Stevenson, maar zijn bevindingen worden hoe langer hoe meer bevestigd door andere onderzoekers zoals Erlendur Haraldsson en Jim Tucker. Ook ikzelf heb dergelijke gevallen in Nederland gevonden.

Sommige jonge kinderen die zich een vorig leven weten te herinneren, hebben ook herinneringen aan een tussenperiode tussen die vorige incarnatie en hun huidige leven. Een belangrijk voorbeeld van tussenperiodeherinneringen wordt gevormd door de uitspraken van de Indiase jongen Veer Singh.
Veer Singh herinnerde zich spontaan een vorig leven als ene Som Dutt en wist daarbij allerlei concrete details te noemen. Veer Singh herinnerde zich verder ook gebeurtenissen na diens dood en de huidige incarnatie. Hij zei dat hij alle familieleden die alleen van huis gingen na zijn dood had begeleid als geest. Deze uitspraak kwam overeen met een droom die de moeder van Som Dutt enkele maanden na zijn dood had gehad waarin Som Dutt aan haar verscheen en vertelde dat zijn oudere broer, Vishnu Dutt, 's nachts naar jaarmarkten ging en dat hij hem daarbij vergezelde. Som Dutts moeder wist niet dat Vishnu Dutt het huis verliet om naar de jaarmarkten te gaan, maar informeerde hier na haar droom naar en stelde toen vast dat het waar was.

In het geval Maung Myo Thein herinnerde een jonge zich een vorig leven herinnerde als de monnik U Warthawa. Hij wist nog dat hij zijn dood in het complex van de zogeheten Rajmuni Pagode bleef. Stevenson stelde vast dat de verschijning van U Warthawa vaak gezien was in de Rajmuni Pagode en dat dit ophield na de geboorte van Maung Myo Thein.

In het geval Maung Zaw Thein Lwin, ook al uit Myangmar, herinnerde een jongen zich dat hij na zijn vorige leven als U Mar Din verschenen was aan zijn vrouw, waarin hij haar vertelde dat waar hij 5 kyats (Burmees geld) gewikkeld in een witte zakdoek had gelaten. Zijn vrouw bevestigde na de geboorte van Maung Zaw Thein Lwin dat ze inderdaad zo'n droom had gehad en dat ze daardoor in staat was geweest de zakdoek met een biljet van 5 kyat te vinden. Het geld was niet zo belangrijk voor haar geweest, maar wel het gegeven dat de instructies van de overleden U Mar Din haar in staat stelden om het te vinden.

Als we uitgaan van de betrouwbaarheid van de zojuist vermelde gevallen, is het duidelijk dat er paranormale verschijningen bestaan. Volgens skeptici moeten we dat overigens nooit doen, omdat het bewustzijn onverbrekelijk gekoppeld zou zijn aan het brein. Door deze koppeling zou het uitgesloten zijn dat mensen ooit paranormale informatie krijgen. In feite gaat het hierbij om een kwalijke cirkelredenering. We hoeven niet stil te staan bij bewijsmateriaal voor paranormale gevallen, want alles zou er op wijzen dat het bewustzijn onlosmakelijk gebonden is aan de hersenen. Maar juist paranormale gevallen vormen bewijsmateriaal tegen die theorie dat het bewustzijn volledig aan de hersenen gebonden is. Het is dus heel vreemd en onwetenschappelijk als dergelijke gevallen domweg worden genegeerd.
Bovendien zijn paranormale verschijningen natuurlijk niet het enige fenomeen waarbij paranormale informatie naar voren komt. Denk alleen al aan het uitgebreide parapsychologische bewijsmateriaal voor ESP. Maar bijvoorbeeld ook aan spontane gevallen van jonge kinderen die paranormale kennis vertonen over een vorig leven voor hun geboorte. Skeptici kunnen niet veel meer doen dan al dit bewijsmateriaal zomaar negeren of het weg te verklaren als knoeiwerk of zelfs bedrog van onderzoekers.

Als we eenmaal hebben geaccepteerd dat er paranormale verschijningen bestaan, moeten we ons ook afvragen hoe we die verschijningen moeten verklaren.

Er zijn twee hoofdtheorieen denkbaar. De paranormale informatie zou onbewust verkregen kunnen zijn door telepathie of helderziendheid van de ziener. Sommige verschijningen lijken daar inderdaad op te berusten.
Mensen kunnen bijvoorbeeld ergens de verschijning zien van iemand die nog in leven is, maar inmiddels ergens anders woont. Ze zien dan helderziende beelden die betrekking hebben op het verleden en geen echte geestverschijning van de overledene, omdat de persoon in kwestie nog in leven is. Veel crisisverschijningen lijken zo ook te berusten op telepathische beelden van een stervende in plaats van echte verschijningen van een overledene.

Maar er zijn ook gevallen bekend zoals dat van James Chaffin die je heel moeilijk kunt verklaren als het product van onbewuste helderziendheid. Zijn zoon was namelijk helemaal niet op de hoogte van het nieuwe testament en hij was dus ook niet gemotiveerd om daar beelden van door te krijgen. Het lijkt er daarom zeker op dat James Chaffin echt zelf na zijn dood aan zijn zoon verscheen.

Iets dergelijks geldt voor de tussenperiodeherinneringen van Veer Singh die overeenkwamen met de droom waarin de overleden Som Dutt zijn moeder informatie verschafte over Vishnu Dutt, die de moeder daarvoor nog niet had bezeten. Als er geen sprake was geweest van tussenperiodeherinneringen maar alleen van een droom, had men de ervaringen van de moeder uit het vorige leven misschien nog kunnen wegverklaren als telepathie met Vishnu Dutt, gegoten in een droom over haar overleden zoon Som Dutt. Maar dat lijkt nu dus echt geen optie meer.

Er bestaan dus geestverschijningen die alleen bevredigend verklaarbaar zijn als we aanvaarden dat er werkelijk een overledene bij betrokken was. Ze moeten wel berusten op een rechtstreeks contact met een overledene zoals die op dat moment geestelijk functioneert.

Ook van dieren zijn in de loop der tijd verschijningen gemeld. Een voorbeeld daarvan is het geval van een vrouw uit Helmond die een grote witte kat signaleerde voor haar deur. Even later zat hij op de schutting van haar tuin, luid en klagend miauwend. Ze wilde naar de poes toe gaan, maar het dier holde steeds voor uit in de richting van de verkeersweg. Ze had de poes nog nooit eerder gezien, maar voelde intuïtief dat er iets niet klopte. Bij de verkeersweg aangekomen, trof zij haar eigen kat dood aan. De witte poes was in het niets verdwenen en is ook niet meer teruggekeerd.

Als we mensen als een soort dieren beschouwen en aanvaarden dat zeker zoogdieren en vogels net als wij een vorm van persoonlijk bewustzijn hebben, wordt het heel aannemelijk dat ook zij zich nog na de dood kunnen laten zien in de vorm van echte geestverschijningen.

Skeptici zijn zo mogelijk nog afkeriger van de theorie dat er gevallen bestaan van verschijningen die echt berusten op de manifestatie van een overledene, dan ze in het algemeen al zijn van het paranormale. Volgens hen zou het overduidelijk zijn dat we zonder brein niet kunnen overleven. Ze negeren daarbij zoals gezegd alle vormen van parapsychologisch materiaal, waaronder ook het recente werk van cardioloog Pim van Lommel van het Rijnstate Ziekenhuis in Arnhem. Hij stelde vast dat patienten terwijl ze een vlak EEG vertonen heel heldere bijnadoodervaringen kunnen krijgen tijdens hun hartstilstand. Dit is op zich al in strijd met de theorie dat we voldoende breinactiviteit nodig hebben om uberhaupt bij bewustzijn te kunnen zijn. Bovendien melden sommige mensen met een bijnadoodervaring hoe ze specifieke gebeurtenissen hebben waargenomen terwijl dat met hun normale zintuigen onmogelijk was. Zijn onderzoek werd gepubliceerd in het belangrijke medische tijdschrift The Lancet.

Door dit soort onderzoekingen krijgen skeptici krijgen het steeds moeilijker met het verdedigen van hun wereldbeeld. Het heeft daarom ook steeds minder zin om hen echt serieus te nemen, hoewel debatten soms nog zinvol kunnen zijn om het publiek op de hoogte te stellen.

We gaan hopelijk steeds meer toe naar een tijd waarin parapsychologie en gangbare wetenschap met elkaar samenwerken om verschijnselen grondig in kaart te bregen. In het afgelopen uur hebben we gezien dat verschijningen veroozaakt worden door allerlei verschillende fenomenen en dus niet op een hoop kunnen worden gegooid. Door een juiste samenwerking kan het inzicht in dit soort verschijnselen verder worden vergroot.

Tot zover mijn lezing.
Na de pauze kunt u mij vragen stellen, en het is mogelijk om me ook al tijdens de pauze aan te spreken.
Dank u wel!

Deze lezing werd gegeven op 31 maart 2004.

Contact: titusrivas@hotmail.com