Titel

Drie nieuwe gevallen van herinneringen aan vorige levens

Geplaatst door

Titus Rivas   (publicatiedatum: 18 June, 2008)

Samenvatting

Titus Rivas en Anny Dirven bespreken samen met Mary Remijnse en Bram Maljaars een drietal Nederlandse gevallen van kinderen met spontane herinneringen aan een vorig leven.


Tekst

Drie nieuwe gevallen van herinneringen aan vorige levens

door Titus Rivas, Anny Dirven, Mary Remijnse en Bram Maljaars

In het artikel "Bewijzen van reïncarnatie" vragen Mary Remijnse en Bram Maljaars mensen mee te werken aan onderzoek als ze een kind hebben die uitspraken doet over vorige levens. Hierop hebben tot nu toe dertien gezinnen gereageerd. Na een aantal eerste oriënterende vragen is hen gevraagd of men wil meewerken aan verdergaand onderzoek. Hierbij werken Mary Remijnse en Bram Maljaars samen met Titus Rivas, Nederlands reïncarnatieonderzoeker en zijn assistente Anny Stevens-Dirven.

Resultaten
Van de dertien gezinnen die meededen aan het onderzoek, gaven er zes aan dat ze bereid waren om nader op hun ervaringen in te gaan. Van deze zes bleek één respondent (vooralsnog) onbereikbaar. Een andere deelnemer heeft toegezegd contact met ons op te nemen. Van de overige vier volstond één moeder met een herhaling van de reeds ingevulde beschrijving van de herinneringen van haar zoon. Hij had haar toen hij 3 à 4 jaar was regelmatig verteld dat hij brandweerman was, maar dat zijn (huidige) ouders dat niet wisten, omdat ze er toen nog niet waren. Haar nu 24-jarige zoon bleef hier bij tot hij 9 à 10 jaar oud was. Verder kon ze er echter niets aan toevoegen.
Overigens zijn de antwoorden van de overige zeven respondenten op zichzelf beschouwd ook interessant, maar we beperken ons hier tot een samenvatting van de antwoorden van de drie respondenten die uitgebreid op hun ervaringen zijn ingegaan.

Het geval van Y.K.
Y.K. is een jongen van nu bijna 19 jaar met een tweelingzusje. In de leeftijd van ongeveer 1,8 tot 4 jaar sprak hij spontaan over twee vorige levens. Zijn moeder geloofde van tevoren overigens al in reïncarnatie, maar er lijkt geen verband te bestaan met die overtuiging.
Y.K. deed zijn uitspraken over de herinneringen aanvankelijk voornamelijk ’s avonds en ’s nachts. Hij zat dan midden op zijn bed, met zijn rug tegen de muur, in een lotushouding, heen en weer wiegend in een soort trance, zijn ogen half gesloten. De eerste keer, toen hij ruim anderhalf jaar oud was, had zijn moeder er nog geen erg in. Ze hoorde hem mompelen in zichzelf en deed het licht aan. Hij schrok daar verschrikkelijk van en was helemaal overstuur... Zodoende is ze er op gaan letten, en ze zag dit patroon bijna elke avond of nacht optreden. Als ze hem heel voorzichtig en zachtjes iets vroeg, gaf hij gewoon antwoord. Dit is een paar jaar zo doorgegaan.
Y.K. vertelde zijn verhaal in fragmenten en bovendien was zijn woordenschat toen dit proces begon nog klein. Zijn moeder benadrukt dat hij nog heel jong was, zodat hij echt moeite had om zijn verhaal te vertellen. Bovendien wilde ze hem niet sturen, zodat als hij iets verstaanbaars zei, zij daar alleen maar op inging en in de beginfase geen andere vragen stelde.
Het eerste wat hij een tijdlang beschreef, betrof een leven ‘in de sneeuw’. Fragmenten die zijn moeder zich nog levendig kan herinneren zijn: "Weet je wat zo leuk is? Nou? Zooo leuk, we hebben allemaal wel oogjes hoor, we hebben wel oogjes. Maar je ziet de oogjes niet zo goed. Soms lijken het wel streepjes hi hi hi hi hi. Leuk hé?" Hij sprak hier vertederd en vrolijk over.
"We hebben schoenen aan, maar dat zijn geen schoenen. Het zijn...... het zijn..... (zoekend naar een geschikt woord) het lijkt op zakjes. Het is een soort zakje, maar dan wel dik hoor. En die maken we zelf. Die zakjes zijn van dieren. En dan doe je ze aan, maar de haartjes zitten dan van binnen. En soms kriebelt dat zó, hi hi hi hi, soms kriebelt het heel erg. En we kunnen soms niet zo maar lopen in de sneeuw. Soms moeten we andere dingen onder onze voeten doen. Ze zijn een beetje groot en plat."
"Het lijkt op die tennusdingen, tennusraketten, maar dat is het niet hoor. Neeeee, dat is het niet, maar het lijkt er op. Die bindt mijn moeder onder mijn voetjes."
Soms gingen ze op een slee, maar dat was maar zelden. Verder vertelde hij dat het eten anders was, hij had het over 'dikkig eten' en zijn moeder kreeg de indruk dat het om een soort pappige brij ging. Op de vraag of hij nog wist hoe zijn moeder er uitzag, moest hij een beetje schamper lachen, alsof hij wou zeggen: "Doe niet zo stom, natuurlijk zie ik haar of natuurlijk weet ik dat nog". Zijn moeder vindt het opvallend dat zijn opmerkingen bijna altijd over het groepsleven gingen. Y.K. sprak bijna altijd in de wij-vorm: "Wij gaan, wij gingen, toen deden we...".
Toen Y.K. iets ouder werd, vermoedelijk toen hij ongeveer tussen de drie en drie en een half jaar oud was, traden er ook spontaan herinneringen aan een ander leven naar voren en zijn moeder kreeg het idee dat dit leven korter geleden had plaatsgevonden.
Hij vertelde dat ze in een heel klein huisje woonden. Het was wel een huis, maar niet zoals onze huizen. Dat huis was wel een goed huis, maar "niet echt goed".... "Ze" hadden dat zelf gemaakt. Van grote brokken stenen op elkaar en als er grotere gaten waren, smeerden ze dat dicht met paardenpoep, die ze moesten "kleien". Daar moest hij erg om lachen en alle opmerkingen gingen ook vergezeld van de uitroep "Leuk hè!". Hij vond het stinken, maar toch niet echt stinken. Hij zei: "Het huis was ook niet echt een huis, omdat het geen kamers had, eigenlijk was het één kamer met alles erin".
Ze hadden een paard en een hond, die "daar" los liepen. Zijn beschrijving van de omgeving deed denken aan een soort woud met veel struiken en bomen. Ze waren arm, maar ze hadden wel te eten. Zijn vader was heel vaak weg, om te werken. Y.K. wist niet wat voor werk, zijn vader ging gewoon weg om te werken en kwam dan thuis.
Hij kon zich zijn moeder herinneren als: in het begin vrolijk, maar toen kwam het "grote verdriet". Het grote verdriet had betrekking op de dood van zijn oudere broertje. Ze waren aan het spelen bij het huis, en zijn broertje zat op het paard. Die was rondjes aan het rijden en hij ging een beetje hard. Toen reed hij langs een boom, en zijn hoofd kwam tegen een dikke tak aan waardoor hij van het paard af sloeg. Y.K. zag dat en riep zijn moeder erbij. Zijn moeder heeft het broertje naar binnen gedragen. Toen was hij nog niet dood. 's Avonds is zijn broertje echter wel dood gegaan. Later is zijn vader thuisgekomen en toen hebben ze hem begraven.
Vanaf dat moment was het leven "niet meer leuk"; zijn moeder had altijd verdriet en was nooit meer vrolijk. Het leek alsof ze vast bleef zitten in het verdriet en alsof het oudste kind het belangrijkste voor haar was geweest. Y.K. kon verder niets meer met zijn moeder doen. Dit waren verder de enige herinneringen aan haar: ze lachte nooit meer, ze praatte haast niet meer, ze kookte en gaf hem te eten, maar ze bleef verder heel zwijgzaam of zat te huilen. Hij sprak dan ook over: "vóór het grote verdriet" en "na het grote verdriet". Voor het grote verdriet had hij een hele leuke moeder, die altijd lachte en zong. Het was een mooie vrouw met lang zwart haar en af en toe dansten ze met zijn drietjes (zijn moeder, zijn broertje en hijzelf) en maakten ze veel grapjes. Ze waren zoals gezegd arm, maar hadden wel een goed leven.
Tot het grote verdriet, toen was dat goede leven afgelopen. Zijn huidige moeder vroeg hem een keer: "Y., is dat wel weer teruggekomen?" Hij antwoordde: "Nee, nooit meer." Hij zei dat op een nadenkende en trieste toon.
Af en toe vroeg zijn moeder Y.K. wel eens iets als hij het over "vroeger" had gehad. Overdag moest hij dan iets langer nadenken dan ’s nachts.
Toen hij ongeveer vier en een half tot vijf was, wilde zijn moeder hem iets vragen over zijn kleren van zijn vroegere leven en over het leven in de sneeuw. Hij zei toen: "Ik vertel je dit nog wel, maar je moet me niet meer verder vragen. Ik wil er niet meer over praten." Hij zei dat heel nadrukkelijk en beslist; het stond voor hem vast. Y.K. vertelde dat "ze" de kleren zelf maakten, van "dierenvellen". Meestal werd dit gedaan door de vrouwen, waaronder zijn eigen (vorige) moeder, maar soms deden de mannen ook iets aan de vellen. Soms kauwden ze op de huiden om ze zacht te maken. Het gesprekje tussen moeder en zoon eindigde opnieuw met de woorden: "En nu moet je me niets meer vragen." Zijn moeder heeft dat ook een aantal jaren niet meer gedaan, tot hij ongeveer 7 jaar was. Toen vroeg ze hem toch weer iets, in de trant van "weet je nog Y.K. toen je klein was. Je vertelde me toen.... enz. Ik wil alleen even weten...." waarna er een vraag volgde. Hij bleef een tijdje nadenken en zei toen: "Ik wil er niet meer over praten en je zou me niets meer vragen".
Weer veel later, toen hij ongeveer 15 was, vroeg zijn moeder hem of hij zich dit allemaal kon herinneren. Y.K. zei toen: "Nee, maar wel weet ik dat er veel geweest is" Als zijn moeder hem een voorbeeld geeft, weet hij precies dat het waar is en dat het klopt, maar hij zou het zo niet kunnen vertellen. Als hij nu naar documentaires kijkt op Geographic Channel, komen er nog dingen naar boven. Soms weet hij precies hoe iets voelt, bijvoorbeeld dierenhuiden, terwijl hij het nog nooit in zijn handen heeft gehouden. Soms weet hij ook precies hoe iets ruikt, bijvoorbeeld de omgeving of de mensen en de huiden.
De moeder van Y.K. geloofde al in reïncarnatie voordat hij over zijn vorige levens begon, maar ze is duidelijk onder de indruk van zijn herinneringen en de manier waarop hij die bracht.
Het is hoe dan ook opvallend hoe realistisch de beschrijvingen van de omstandigheden uit de twee vorige levens overkomen. We hebben de reïncarnatieonderzoekster en expert op het gebied van inheemse Noord-Amerikaanse volkeren dr. Antonia Mills gevraagd om te beoordelen in hoeverre de herinneringen betrekking kunnen hebben op een of meer Noord-Amerikaanse levens. Dr. Mills antwoordde ons op 5 november 2003:
"Het eerste verhaal klinkt alsof het een Inuït-verhaal is, wat ze vroeger Eskimo noemden. De Inuït leven in een gebied dat zich uitstrekt van Alaska tot Groenland en het is niet duidelijk of de details betrekking hebben op de Westelijke, Centrale of Oostelijke Noordpool.
Het tweede verhaal klinkt niet Noord-Amerikaans. De enige Native Peoples die huizen van steen bouwden zijn de Pueblo-indianen en er zijn daar [in hun gebied] heel weinig bomen en hun kleding was gemaakt van schapenwol zodra ze schapen bezaten, wat het geval was vanaf het moment dat ze paarden hadden."
Dit commentaar is om twee redenen van belang. Het eerste verhaal blijkt werkelijk in verband gebracht te kunnen worden met een Inuït leven. En het tweede verhaal staat kennelijk echt los van het eerste, zoals zijn moeder al had gedacht. Dit betekent dat het geval Y.K. een van de zeldzame gevallen is waarin een kind zich twee vorige levens kan herinneren. Een bekend Aziatisch geval waarin dit ook aan de orde is, is dat van Swarnlata Mishra (Stevenson, 1974).
Historicus drs. Pieter van Wezel bracht het tweede leven in verband met Azië, door de combinatie van de verschillende elementen.

Het geval van Emily A
Toen Emily A. drie jaar oud was zei ze tegen haar moeder: "Jij was mijn zus, en wij waren altijd samen. En we hadden een andere pappa en mamma." Ze is dat jarenlang blijven zeggen, maar nu ze negen is hoort haar moeder haar er nooit meer over. Ze heeft het er in die tijd ook over gehad dat ze moest wachten voordat ze haar moeder weer zou zien.
De herinneringen kwamen er met name op neer, dat zij en haar moeder in een vorig leven tweelingzusjes waren geweest. Ze droegen jurken en hadden kappen op hun hoofd. Emily vertelde op haar eigen manier dat zij en haar moeder toen altijd samen waren en samen speelden in een groot stenen huis. Er waren periodes bij dat ze vaak tegen haar moeder zei: "Ik ben zo blij dat jij mijn zus bent".
Deze verhalen kwamen op haar moeder niet over als een soort rollenspel.
Haar moeder heeft sterk het gevoel dat het "ergens anders vandaan komt", ook al kan ze dat niet bewijzen. Emily was in die tijd in elk geval te klein om te lezen en tv te kijken. De verhalen zouden ook niet kloppen met de tv-programma’s waar ze toen naar keek.
Verder had Emily een fobie die verband zou houden met een vorig leven.
Ze is altijd bang geweest voor water. Douchen was vroeger de grootste ramp op aarde voor haar, en tegenwoordig heeft ze nog geen zwemdiploma. Ze vindt zwemmen nu wel heel leuk, maar ze durft nog altijd niet naar de bodem van het zwembad te zwemmen. Ze is nog steeds bang om onder water te gaan. Vroeger riep ze dan helemaal overstuur: "Mama, dan ga ik dood! Het water is eng!". Haar vader is overigens ook heel bang voor water. Ook bij hem is er sprake van een angst voor verdrinking.
Toen Emily ongeveer vijf jaar oud was, overleden haar broertjes Rowan en Aaron, een tweeling. Ze had het toen vrijwel dagelijks over haar herinneringen. Ze vertelde een vriendin van haar moeder toen ook nog dat Rowan en Aaron eerst als engeltjes in de hemel zijn en dan naar andere mensen toe gaan.
Inmiddels zijn de herinneringen veel minder geworden en als haar moeder haar een open vraag stelt, vertelt Emily er dingen bij die niet kloppen. Ook beweert ze nu voorkennis te hebben van een volgende leven, waarin Emily de mamma van haar moeder zou worden.
Allebei haar ouders geloven in reïncarnatie, maar Emily wist niets van hun overtuigingen, omdat "je een kind daar niet mee lastig moet vallen".
Volgens haar moeder is Emily enigszins paranormaal begaafd, dat wil zeggen dat ze "meer ziet dan anderen". Ze zag soms kinderen die door de kamer vliegen. Op haar oude school moest ze zelfs een test ondergaan, omdat ze erg in haar eigen wereldje leefde en dingen vertelde die niet zouden kloppen met de werkelijkheid. Ze dachten om die reden dat er geestelijk iets niet in orde was met haar, maar dat bleek niet het geval te zijn. Emily is verder een heel normaal kind, gewoon met haar beide beentjes op de grond.
Opvallend aan dit geval is vooral dat er sprake is van een band tussen dochter en moeder die teruggaat tot een vorig leven, waarin ze een tweeling zouden geweest. We kennen dit mogelijke verband al in tegengestelde richting, namelijk dat tweelingen elkaar zouden kennen uit een vorig leven (Rivas, 2001). Verder vertoont haar verhaal overeenkomsten met gevallen van zogeheten nieuwetijdskinderen (Jager, 1998).
Pieter van Wezel stelt dat er qua historische localisering er helaas weinig aan te vangen is met het verhaal van Emily, gezien de vaagheid ervan.

Het geval van Rik de Vries
Jolanda de Vries, de moeder van Rik, vertelde ons dat hij op de leeftijd van twee en een half enkele maanden lang bewuste herinneringen aan een vorig leven vertoonde.
Ze schrijft: "Hij kwam uit bed omdat er in de verte vuurwerk werd afgestoken en dat hoorden we heel erg hard bij ons, ook omdat de wind onze richting op kwam. Hij was helemaal in tranen en hij zei steeds dat ons huis kapot zou gaan en dat hij dan weer dood zou gaan. Hij was echt heel erg bang. Hij vertelde ook dat ze aan het schieten waren en dat er toen een bom op zijn huis kwam. Ik vroeg hem ook of hij toen een man of vrouw was en of hij groot of klein was. Hij vertelde mij dat hij een grote man was met vrouw en kinderen. Ook wilde hij zijn kinderen nog uit bed halen (om naar de schuilkelder te gaan), maar dat lukte hem niet meer omdat die bom op hun huis viel. Daarna heeft hij het er niet meer zo uitgebreid over gehad." Rik speelde ook vaak soldaatje om het een en ander te verwerken.
Hij zei verder nog dat het ging om een land hier ver vandaan, maar zijn moeder weet niet of hij werkelijk een ver land bedoelde of een plaats die ver van de huidige woonplaats verwijderd is.
Jolanda sluit het uit dat Rik het verhaal uit een over ander tv-programma heeft gehaald. Hij keek in die tijd alleen maar naar Sesamstraat en vergelijkbare kinderprogramma’s.
Zijn moeder geloofde van te voren al in reïncarnatie en zegt: "Mijn kinderen komen ook niet voor niets bij mij, heb ik het gevoel. Ze moeten nog wat afmaken en ik leer ook weer van hun."
Dit geval lijkt sterk op andere gevallen waarin men zich een gewelddadige dood herinnert, zoals het Nederlandse geval Kees (Rivas, 1998, 2000).
Historicus drs. Pieter van Wezel stelt dat de herinneringen hoe dan ook betrekking moeten hebben op de 20e eeuw, gezien de herinnering aan een bombardement.

Beschouwing
Er is geen enkele reden om in deze drie gevallen uit te gaan van bedrog of zelfbedrog, aangezien geen van de herinneringen betrekking heeft op beroemde personen of heiligen. Ook is er geen sprake van opgeblazen aanspraken dat men het "geval van de eeuw" zou bezitten. Tel hierbij het gegeven op dat de kinderen op een klassieke leeftijd over hun herinneringen begonnen te praten en daarbij adequate emoties vertoonden. En dat hun verhalen bovendien niet a-historisch of bizar lijken. Dan mogen we ons inziens zeker concluderen dat het hier om klassieke gevallen gaat die passen in het universele patroon van de zogeheten Cases of the Reincarnation Type van dr. Ian Stevenson (1987, 2000) en zijn medewerkers. Als we dergelijke cases beschouwen als bewijsmateriaal voor reïncarnatie, dan horen ook deze drie gevallen daar duidelijk bij. Uiteraard zijn alle afzonderlijke gevallen verschillend van elkaar en kunnen er nadere onderverdelingen gemaakt worden, zoals gevallen met herinneringen aan meer dan een vorig leven.
Verder is er vooralsnog naar aanleiding van deze drie gevallen geen reden om te veronderstellen dat Nederlandse Cases of the Reincarnation Type fundamenteel verschillen van andere westerse gevallen op dit gebied.

Referenties Titus Rivas en Anny Dirven
Stichting Athanasia
Darrenhof 9
6533 RT Nijmegen
titusrivas@hotmail.com
Anny_Dirven@hotmail.com

Dit artikel werd op 20 december 2003 geplaatst in het in 2008 opgeheven digitale tijdschrift Spiritualiteit van Stichting Spirituele Ontwikkeling.