Titel

Wat gebeurt er als we sterven: een bespreking

Geplaatst door

Titus Rivas   (publicatiedatum: 29 November, 2006)

Samenvatting

Kritische bespreking door Titus Rivas van het boek Wat er gebeurt als we sterven, van dr. Sam Parnia.


Tekst


Boekbespreking
Sam Parnia. Wat er gebeurt als we sterven: een wetenschappelijk onderzoek naar bijnadoodervaringen.
Utrecht/Antwerpen: Servire, 2006. ISBN 90-215-4319-2.

Dr. Sam Parnia is één van de toonaangevende medische onderzoekers naar bijna-doodervaringen. Net als Pim van Lommel, Bruce Greyson en Janet Schwaninger heeft hij een prospectief onderzoek uitgevoerd naar BDE’s bij mensen die een hartstilstand hadden ondergaan.
Dit gemakkelijk leesbare boek doet verslag van de speurtocht van Parnia naar de menselijke beleving tijdens het stervensproces en naar de relatie tussen hersenen en geest. De auteur begint met een overzicht van de geschiedenis op deze gebieden en maakt onderscheid tussen fysiologische, psychologische en ‘transcendentale’ theorieën over bijna-doodervaringen. Zijn eigen empirische onderzoek heeft een drieledige opzet: (a) in kaart brengen wat mensen ervaren tijdens een hartstilstand, (b) vaststellen hoeveel mensen een BDE krijgen, en (c) de drie genoemde soorten theorieën toetsen aan het verkregen bewijsmateriaal.
Dr. Parnia beschrijft hoeveel moeite hij moest doen voor zijn onderzoek. Zo lekte een geheime methode om de waarneming van BDE-ers te toetsen door middel van willekeurige afbeeldingen die buiten het normale zicht boven het ziekenhuisbed waren geplaatst, toch nog uit. Hij was namelijk zo naïef geweest er met een verpleegster over te praten. Overigens leverde zijn project aan het Southampton General Hospital uiteindelijk betrekkelijk weinig bewijsmateriaal op. Tevens bleek een groots, maar duur plan voor een vervolgonderzoek in de ijskast te moeten worden gezet vanwege een gebrek aan financiële ondersteuning.
De auteur ontving los van zijn eigen prospectieve project ook nog meer dan 500 schriftelijke reacties van mensen die een BDE hadden meegemaakt. Hierbij traden allerlei kenmerken naar voren die hij al kende van het werk van anderen, maar toch leerde hij er veel van. Opmerkelijk zijn onder meer de gevallen van twee kinderen die rond hun derde een bijna-doodervaring kregen en daar spontaan over begonnen. Eén van hen, Andrew genaamd, vertelde hoe hij een bypass-machine (die op dat moment op TV te zien was) had waargenomen tijdens zijn hartoperatie, terwijl hij omhoog zweefde met een ‘dame’. De vrouw in kwestie bleek later door hem te worden herkend op een jeugdfoto van zijn overleden oma van moederskant (blz. 104-105). Ook vermeldt de auteur een geval van de cardioloog Richard Mansfield die meemaakte hoe een patiënt van hem tot in detail wist te vertellen wat er precies gebeurd was terwijl hij buiten bewustzijn verkeerde en geen polsslag had.
Het werk van Sam Parnia is zonder twijfel erg belangrijk en verdient veel meer ondersteuning dan het nu krijgt. Alleen lijkt de auteur theoretisch gezien helaas meer op twee gedachten te hinken dan hij zelf beseft. Enerzijds is hij erg gebrand op bewijsmateriaal dat aantoont dat het bewustzijn onafhankelijk van de hersenactiviteit voortbestaat, maar anderzijds heeft hij het toch steeds over de specifieke processen in het brein die betrokken zouden zijn bij BDE’s. Hij lijkt met andere woorden te geloven dat BDE’s de ultieme onafhankelijkheid van de geest kunnen aantonen, en tegelijkertijd dat ze toch nog mede veroorzaakt worden door de activering van bepaalde hersengebieden. Zo verwerpt hij de theorie van de restactiviteit in bepaalde delen van het brein, doordat er voor denkprocessen normaliter meerdere gebieden in de hersenen tegelijk nodig zijn, zodat "zelfs als er een geringe activiteit in individuele cellen zou zijn die we niet kunnen meten, [het] onwaarschijnlijk [is] dat deze zou leiden tot het opwekken van voldoende elektriciteit om de hersencellen met elkaar te laten communiceren." (blz. 128). Ook erkent hij het lichaam-geest probleem, en hij benadrukt dat er geen verklaring is voor de door materialisten veronderstelde productie van bewustzijn door hersenprocessen. (met name in hoofdstuk 5: Inzicht in de geest, de hersenen en het bewustzijn). Dit brengt hij zelfs in tegen de in alternatieve kringen betrekkelijk populaire theorie van Hameroff en Penrose (blz. 159). Maar in de volgende hoofdstukken (vooral hoofdstuk 7) stelt hij opeens dat alles opgebouwd moet zijn uit één en dezelfde materie of energie, inclusief ons bewustzijn en onze geest. In feite dus hetzelfde soort fysicalistische vooronderstelling dat hij net daarvoor nog bestreden heeft. Hij gelooft bijvoorbeeld serieus dat het bewustzijn ooit nog volledig fysiek registreerbaar zal worden, wat alleen mogelijk is als het zelf ook geheel en al fysiek is. De vreemdste uitspraak in dit verband betreft bijna-doodervaringen zelf, namelijk: "Hoewel ik erken dat we nog niet precies weten welke gebieden hierbij een rol spelen, zijn processen in de hersenen zonder twijfel verantwoordelijk voor de ervaring." (blz. 179). Het hoe dan ook onmisbare boek vermeldt tot slot nog nieuwe ontwikkelingen en de samenwerking tussen Sam Parnia en Peter Fenwick, en verwijst naar de website van hun zogeheten Horizon Foundation: http://www.horizonresearch.org

Titus Rivas


Dit artikel werd gepubliceerd in Terugkeer, 17(3), herfst 2006, blz. 24-25.

Contact: titusrivas@hotmail.com